< Terug naar codex

De vendel aan de zijde

Pagina: 328/328

Berten Rodenbach / Renaat Veremans
 
1. De vendel aan de zijde,
het lied in ziel en mond,
zo zwierf de zanger rond
al in de oude tijden.
En riep hem stem- en schalenklang
te midden leutig feestgedrang,
daar deed hij ‘t snaartuig ronken
vol tov’rend’ harmonie,
en zong de zielen dronken
van klank en poëzie,
en zong de zielen dronken
van klank en poëzie.

2. Nog zwerft alhier de zanger
en doolt stilzwijgend rond,
doch, houdt hij zijne mond,
zijn ziel is lied’renzwanger.
Zweeg vreemd gezang en dorperlied,
verstiet men zijne tale niet,
nog zou de zwerver komen
en rijzen in de zaal,
vol beelden en vol dromen
en klank en bonte taal,
vol beelden en vol dromen
en klank en bonte taal.

3. Weer zong hij u de sagen
van uit de oude tijd,
der helden grootse strijd
en grootser nederlagen:
de lichte sprook met vroede zin,
het lied der abele dichtermin,
het lied ons in geschapen,
dat niemand zingen dorst
het lied der Dietse knapen
dat smacht in veler borst,
het lied der Dietse knapen
dat smacht in veler borst.